Biologische bladluisbestrijding
Breed en effectief: bestrijding gericht op meerdere bladluissoorten tegelijk, in zowel bedekte als onbedekte teelten.
Toekomstbestendig: hét antwoord op een krimpend middelenpakket en toenemende resistentie bij chemische bestrijding.
Residuvrij en continu: biologische bescherming gedurende het hele teeltseizoen, zonder residu op uw product.
Waarom wordt bladluis bestrijden steeds moeilijker?
Bladluis is een schadelijke plaag in teelten. De zuigactiviteit verzwakt planten, verspreidt virussen en veroorzaakt honingdauw waarop roetdauwschimmel kan groeien. Dat leidt direct tot kwaliteitsverlies en opbrengstderving.
De traditionele aanpak schiet steeds vaker tekort. Dat heeft drie concrete oorzaken.
- Ten eerste wordt het gewasbeschermingsmiddelenpakket steeds smaller.
- Ten tweede werkt het ontbreken van een keuze in werkzame stoffen, ongevoeligheid voor deze werkzame stoffen in de hand. De inzet van biologie doorbreekt deze ongevoeligheid en zorgt ervoor dat men minder hoeft te corrigeren en dat eventuele correcties die wel gedaan moeten worden beter aankomen. Men kiest dan voor de geïntegreerde aanpak.
- Ten derde maakt de buitengewoon snelle voortplanting van bladluis dat een kleine populatie binnen enkele dagen kan uitgroeien tot een plaag. Bij warme temperaturen vermeerdert een vrouwtje zich ongeslachtelijk, waarbij de jongen direct na de geboorte beginnen met het opzuigen van plantensap. Vroeg ingrijpen is daardoor geen luxe, maar noodzaak.Een structurele aanpak begint met biologische bestrijding die de cyclus op meerdere punten doorbreekt.
De galmug Aphidoletes aphidimyza
De galmug Aphidoletes aphidimyza is een actieve bladluisbestrijder op kolonieniveau. Volwassen galmuggen worden aangetrokken door de honingdauw die bladluizen uitscheiden. Ze leggen hun eitjes bij bladluiskolonies. De larven die daaruit komen zijn buitengewoon vraatzuchtig: ze prikken bladluizen aan, verlammen ze en zuigen ze leeg. Eén larve kan tien tot honderd bladluizen opruimen. De galmuglarven zijn niet kieskeurig en pakken vrijwel alle bladluissoorten aan. Ze zijn daarmee bijzonder effectief voor het snel reduceren van bestaande haarden.
De sluipwespen in de Aphiscout-mix
De sluipwespen in de Aphiscout-mix werken anders. Volwassen sluipwespen zijn mobiel en zoeken actief naar bladluizen, ook voordat u ze zelf met het blote oog kunt waarnemen. Ze leggen een eitje in de bladluis. Daarbinnen ontwikkelt de larve zich ten koste van de waard: de luis mummificeert en uit het verharde huidje vliegt uiteindelijk een nieuwe sluipwesp. De vijf soorten in de mix dekken elk hun eigen spectrum aan bladluissoorten, waardoor de basisbescherming breed is en vrijwel alle gangbare soorten worden bestreden.
Sluipwespen werken bij uitstek preventief en signaleren luispopulaties eerder dan de teler zelf. Galmuglarven ruimen bestaande kolonies op. Samen zorgen ze voor een aanpak op meerdere niveaus.
De lieveheersbeestjes Adalia bipunctata en Propylea quatuordecimpunctata
Lieveheersbeestjes zijn misschien wel de bekendste natuurlijke vijand van bladluis. Klep zet twee soorten in die elkaar aanvullen. Het tweestippige lieveheersbeestje (Adalia bipunctata) heeft larven met een hoge consumptiesnelheid: ze eten dagelijks grote aantallen bladluizen en andere zacht-huidige plaaginsecten, waardoor een aangetast gewas zichtbaar herstelt. Adalia is inzetbaar in diverse gewassen, in zowel de kas als de open teelt. Het veertienstippige lieveheersbeestje (Propylea quatuordecimpunctata) eet zowel als larve als als volwassen kever bladluizen, waardoor de plaag snel afneemt. Propylea kan zich langere tijd in de kas vestigen en is een sterke haardbestrijder. Beide soorten pakken vooral zichtbare kolonies krachtig aan.
De gaasvlieg Chrysoperla carnea (chrysopa)
De gaasvlieg is een brede, vraatzuchtige bestrijder. Chrysopa is de larve van de groene gaasvlieg (Chrysoperla carnea). Naast bladluis pakt deze larve ook trips, wolluis, rupsen en andere insecten met een zachte huid aan. Dat maakt de gaasvlieg breed inzetbaar wanneer er naast bladluis nog andere plagen spelen. De larven zijn voornamelijk ’s nachts actief. Door haar brede menu en grote eetlust is de gaasvlieg vooral geschikt om bestaande haarden op te ruimen.
De zweefvliegen Episyrphus balteatus
De zweefvlieg bestrijdt bladluis in het larvestadium. Bij Episyrphus balteatus, de dubbelbandzweefvlieg, is het de larve die het werk doet: die eet gedurende haar ontwikkeling 300 tot 500 bladluizen en ruimt ze volledig op. De larve werkt gericht binnen bladluiskolonies. De druppelvormige poppen op het blad maken de aanwezigheid goed herkenbaar. De volwassen zweefvlieg zelf leeft van nectar en stuifmeel en richt geen schade aan het gewas aan.
Samen dekken deze bestrijders het hele verloop van een plaag af. Sluipwespen werken bij uitstek preventief en signaleren luispopulaties eerder dan u ze zelf ziet. De galmuglarven, lieveheersbeestjes, gaasvlieglarven en zweefvlieglarven ruimen bestaande kolonies op, elk met een eigen tempo en voorkeur. Zo ontstaat een aanpak op meerdere niveaus: vroege signalering aan de voorkant en krachtige opruiming zodra een haard zichtbaar wordt.
Tegen welke bladluizen werken deze bestrijders?
De combinatie van roofinsecten en sluipwespen heeft een brede werking. De roofinsecten (galmuglarven, lieveheersbeestjes, gaasvlieglarven en zweefvlieglarven) maken nauwelijks onderscheid naar soort: ze prederen op vrijwel alle bladluissoorten die in gangbare teelten voorkomen. De vijf sluipwespensoorten in de Aphiscout-mix zijn elk gespecialiseerd in bepaalde soorten, maar dekken samen een breed spectrum. Zo worden de meest voorkomende luizen in bedekte teelten bestreden, waaronder de groene perzikluis, katoenluis, aardappeltopluis en boterbloemluis.
De inzetbaarheid strekt zich uit over meerdere teelten en omgevingen. In de bedekte teelt, zoals glasaardbeien, paprika, komkommer en sierteelt, zijn zowel de roofinsecten als de sluipwespen effectief toe te passen. In onbedekte teelten kunnen galmuggen, lieveheersbeestjes, gaasvliegen en zweefvliegen als aanvullende bestrijders worden ingezet.
Doordat de meeste bestrijders niet op één specifieke luissoort zijn gericht, hoeft u vooraf niet altijd te weten met welke bladluissoort u te maken heeft. Dat maakt de strategie praktisch toepasbaar voor telers die te maken krijgen met wisselende of gemengde luisbezettingen.
Welke natuurlijke vijanden zet Klep Agro in bij bladluisbestrijding?
Biologische bladluisbestrijding bij Klep Agro is gebaseerd op een combinatie van complementaire natuurlijke vijanden. Welke bestrijder u inzet, hangt af van de teeltsituatie, de aanwezige luissoort en de mate van plaagdruk. In veel gevallen worden meerdere soorten gecombineerd, zodat preventie en curatieve bestrijding in elkaar overlopen.
De basis bestaat uit twee soorten die elkaar aanvullen: de galmug en de sluipwespen. Afhankelijk van de situatie versterkt Klep die basis met lieveheersbeestjes, gaasvliegen en zweefvliegen.
- Galmug, Aphidoletes aphidimyza (Aphidend): vraatzuchtige larven die vrijwel alle bladluissoorten aanpakken. Eén larve ruimt tien tot honderd luizen op. Zowel preventief als curatief inzetbaar.
- Sluipwespen, Aphiscout: mix van vijf soorten (waaronder Aphidius colemani en Aphidius ervi) die luizen al bij lage dichtheden opsporen en parasiteren. Bij uitstek preventief en toegelaten in zowel in de bedekte teelt als onbedekte teelt.
- Lieveheersbeestjes, Adalia bipunctata en Propylea quatuordecimpunctata: roofkevers die als larve én als volwassene grote aantallen bladluizen eten. Sterke haardbestrijders, inzetbaar in zowel de kas als de open teelt.
- Gaasvlieg (chrysopa), Chrysoperla carnea: de larve is een breed roofinsect dat naast bladluis ook trips, wolluis en rupsen aanpakt. Vooral ’s nachts actief en geschikt om bestaande haarden op te ruimen.
- Zweefvliegen, Episyrphus balteatus: de larve is zeer vraatzuchtig en eet 300 tot 500 bladluizen, gericht binnen de kolonie.
De werking en inzetbaarheid van de bladluisbestrijders
Elke bestrijder heeft een eigen levenscyclus die de effectiviteit in de praktijk bepaalt.
- De galmug Aphidoletes aphidimyza legt haar eitjes in of bij bladluiskolonies. Na het uitkomen beginnen de oranje larven direct met prederen. Als ze voldoende gegeten hebben, verpoppen ze in de bodem of het substraat tot volwassen galmug, waarna de cyclus opnieuw begint. De galmug is zowel preventief als curatief inzetbaar: bij lage plaagdruk als bewaker, bij een uitbraak als actieve ruimer van kolonies. Het is geen echte mug en steekt niet.
- De sluipwespen in de Aphiscout-mix zijn het effectiefst bij een beginnende plaag of als preventieve maatregel. Ze vinden bladluizen al in een vroeg stadium. De parasiteringsdruk bouwt over enkele weken op doordat veel geparasiteerde luis nieuwe sluipwespen voortbrengt. Het advies is om Aphiscout met regelmaat in te zetten, bij voorkeur elke twee weken, gedurende het hele risicoseizoen van april tot augustus.
- De lieveheersbeestjes (Adalia en Propylea) zijn krachtige haardbestrijders. Zowel de larven als de volwassen kevers eten bladluizen, waardoor een zichtbare haard snel terugloopt. Propylea kan zich bovendien langere tijd in de kas vestigen. Ze komen het best tot hun recht zodra er duidelijke luishaarden aanwezig zijn.
- De gaasvlieg (chrysopa) is als larve een brede, vraatzuchtige ruimer die naast bladluis ook trips, wolluis en rupsen aanpakt. De larven zijn vooral ’s nachts actief. De gaasvlieg wordt curatief ingezet om bestaande haarden op te ruimen, ook wanneer er meerdere plagen tegelijk spelen.
- De zweefvlieg (Episyrphus balteatus) bestrijdt bladluis in het larvestadium; de larve eet 300 tot 500 luizen en werkt gericht binnen de kolonie. De druppelvormige poppen op het blad maken de aanwezigheid goed herkenbaar. Alleen de larve bestrijdt, de volwassen zweefvlieg leeft van nectar en stuifmeel.
Praktisch gezien zijn de ingezette bestrijders actief bij de temperaturen die gangbaar zijn in de teelt en blijven ze werkzaam, ook bij wisselende kasomstandigheden. Bij een uitbraak kan de inzet van galmuggen worden gecombineerd met een extra curatieve bijzetting van gaasvliegen, lieveheersbeestjes of zweefvliegen om snel volume te maken.
Waarom is de combinatie van deze natuurlijke vijanden een essentiële schakel in geïntegreerde bladluisbestrijding?
Een effectieve bladluisaanpak richt zich op meerdere stadia van de plaag. Sluipwespen detecteren en parasiteren bladluizen preventief, vóórdat een populatie explosief groeit. De galmuglarven ruimen bestaande kolonies snel en grondig op, samen met de lieveheersbeestjes, gaasvlieg- en zweefvlieglarven. Samen doorbreken ze de voortplantingscyclus op twee niveaus: preventie aan de voorkant en actieve reductie zodra een haard zichtbaar wordt. Biologie is 24/7 op zoek naar luis en heeft die vaak al gevonden en bestreden voordat u de plaag zelf opmerkt. Bovendien kunt u ze zo vaak inzetten als de situatie vraagt, zonder dat de effectiviteit afneemt.
De inzet van natuurlijke vijanden is daarmee geen losse maatregel, maar een structurele schakel in een geïntegreerd teeltsysteem. Wanneer ze worden gecombineerd met monitoring en gerichte bijsturing, ontstaat een weerbaar systeem dat pieken in de plaagdruk absorbeert, waardoor het bijsturen met gewasbeschermingsmiddelen afneemt.
De effectiviteit van biologische bladluisbestrijding staat of valt met het moment en de regelmaat van inzet. Neem voor het juiste toepassingsmoment en welk type roofmijt contact op met een van onze adviseurs!
Scouting en begeleiding bij bladluisbestrijding
Succes met biologische bestrijding staat of valt met monitoring. Klep Agro ondersteunt u met intensieve scouting om de populatieontwikkeling van bladluis én natuurlijke vijanden nauwkeurig te volgen. Op basis van die waarnemingen sturen we de strategie bij: meer preventie, extra bijzetting of aanpassing van de uitzetfrequentie.
U krijgt geen losse producten, maar een compleet beheersysteem waarbij teeltadvies en begeleiding hand in hand gaan met de producten die worden ingezet.
Veelgestelde vragen over biologische bladluisbestrijding
Welke bestrijder gebruik ik bij welke bladluissoort?
De galmug Aphidoletes aphidimyza (Aphidend) maakt geen onderscheid naar soort en is effectief tegen vrijwel alle gangbare bladluizen. De sluipwespenmix Aphiscout dekt met vijf soorten een breed spectrum, waaronder de groene perzikluis, katoenluis, aardappeltopluis en boterbloemluis. Bij de meeste teelten is de combinatie van beide bestrijders de meest effectieve aanpak, zodat u niet hoeft te weten welke luissoort u precies voor heeft.
Hoe snel zie ik effect na het inzetten van natuurlijke vijanden?
Sluipwespen werken preventief en opbouwend: het duurt enkele weken voordat de parasiteringsdruk meetbaar is in de populatie. Bij een zichtbare uitbraak is de galmug de snellere ingreep: de larven beginnen direct met prederen na het uitkomen. Bij het gelijktijdig inzetten van beide bestrijders ziet u doorgaans binnen twee tot drie weken een merkbare afname van de luisdruk.
Kan ik deze bestrijders combineren met chemische middelen?
Dat is mogelijk, maar vereist afstemming. Niet alle insecticiden zijn veilig voor levende natuurlijke vijanden. Klep Agro begeleidt u bij het samenstellen van een gewasbeschermingsschema dat biologische en chemische maatregelen combineert zonder dat ze elkaar tegenwerken.
Wanneer zet ik preventief in en wanneer curatief?
Sluipwespen zijn bij uitstek een preventief middel en werken het best als ze vóór de plaag aanwezig zijn. Galmuggen zijn zowel preventief als curatief inzetbaar en zijn de eerste keus zodra luishaarden zichtbaar zijn. Als vuistregel: begin met sluipwespen zodra het teeltseizoen start, en zet galmuggen bij zodra u luis waarneemt.
Werkt Aphiscout ook in onbedekte teelten?
Ja. samen met de andere bestrijders zoals Aphidend, Adalia bipunctata en Chrysoperla carnea. Klep Agro adviseert u welke bestrijders in uw specifieke teeltsituatie inzetbaar zijn.
Hoe lang blijven de bestrijders actief en wanneer moet ik opnieuw inzetten?
Zowel galmuggen als sluipwespen houden zichzelf deels in stand zolang er voedsel aanwezig is. Bij lage plaagdruk neemt hun populatie echter ook af. Het advies voor sluipwespen is om elke twee weken bij te zetten gedurende de risicoperiode. Klep Agro stelt op basis van scouting een inzetplan op dat aansluit bij uw teeltritme.
Wat is het verschil tussen een roofinsect, zoals het lieveheersbeestje of de gaasvlieg, en een sluipwesp?
Een roofinsect eet bladluizen rechtstreeks op. Lieveheersbeestjes, gaasvlieglarven, galmuglarven en zweefvlieglarven prikken de luis aan en zuigen hem leeg of eten hem volledig op. Ze verwerken er veel per stuk (een galmuglarve tien tot honderd, een zweefvlieglarve 300 tot 500 luizen) en zijn niet kieskeurig: ze pakken vrijwel alle bladluissoorten aan. Daardoor zijn ze sterk in het snel opruimen van zichtbare haarden, oftewel curatief.
Een sluipwesp werkt van binnenuit. Ze legt één eitje in de bladluis, waarna de larve zich ontwikkelt ten koste van die luis. De luis verandert in een verhard, bruin “mummietje” en daar vliegt uiteindelijk een nieuwe sluipwesp uit. Eén sluipwesp pakt dus per keer één luis, is gespecialiseerd in bepaalde soorten en spoort luizen al op bij lage dichtheden, voordat u ze zelf ziet. Daardoor werkt de sluipwesp vooral preventief.
Kort gezegd: het roofinsect is de opruimer die bestaande kolonies aanpakt, de sluipwesp is de verkenner die een plaag vroeg signaleert en afremt. In een geïntegreerde aanpak vullen ze elkaar aan.
Welke natuurlijke vijanden kan ik in de onbedekte teelt inzetten?
In de onbedekte teelt kunt u Aphiscout-mix, galmuggen, lieveheersbeestjes, gaasvliegen (chrysopa) en zweefvliegen inzetten. Dat zijn allemaal roofinsecten die bladluizen rechtstreeks opruimen. Welke combinatie in uw situatie het beste werkt, hangt af van het gewas en de plaagdruk. Klep Agro bepaalt dat op basis van scouting.